Categorie: jurisprudentie | Gepubliceerd: 04 december 2017

Circulaire economie door de juridische lens

De keuze voor een transitie naar een meer circulaire economie levert technische, bedrijfsmatige, politieke en maatschappelijke uitdagingen op. Maar ook juridisch leidt het besluit tot “fundamentele vragen”.

Dat valt te lezen in het rapport met de titel “Met recht naar een circulaire economie” dat een serie artikelen van juristen bundelt. Een elftal juristen buigt zich in de uitgave van de Vereniging voor Milieurecht over de juridische consequenties van de transitie.

De vragen die komen kijken bij die transitie beperken zich niet tot afvalstoffenrecht en het producten- en stoffenrecht, maar hebben ook gevolgen voor onder meer het mededingingsrecht, de Richtlijn Eco-design en de Omgevingswet. Bovendien roept het vragen op over de belemmerende of stimulerende rol van het recht als zodanig. Het afvalstoffenrecht is oorspronkelijk ontworpen voor een lineaire economie. Daarmee is het, schrijven professor Chris Backes en Meester John Tieman in de inleiding op het rapport, de vraag of dat nog wel een adequaat kader vormt voor de overgang naar de circulaire economie.

Twee vragen koppelen de juristen aan die hoofdvraag. Allereerst is het de vraag of de waarborgen voor volksgezondheid en milieu die het afvalstoffenrecht wil bieden nog nodig zijn in een circulaire economie. Vervolgens vragen de onderzoekers zich af of en in hoeverre het afvalstoffenrecht mogelijk beperkend werkt in de transitie. Daarmee stellen ze de vraag naar de grenzen en functie van het afvalstoffenrecht. Moet het afgeschaft of juist verder ontwikkeld worden? En hoe verhoudt het Nederlandse afvalstoffenrecht zich tot het Europese en nationale stoffenrecht?

Behalve het (afval)stoffenrecht, staan ook fundamentelere rechtsvragen ter discussie. Het noodzakelijke debat daarover hopen de bijdragen aan de bundel te kunnen stimuleren en versnellen.