Categorie: publicaties | Gepubliceerd: 17 november 2016

Nieuw model helpt gemeenten richting circulaire economie

Gemeenten weten prima hoeveel afval zij inzamelen. Hoeveel secundaire grondstoffen er uit dat ingezamelde afval worden gewonnen is een stuk lastiger te bepalen. Een nieuw rekenmodel biedt uitkomst.

Bijna twee jaar lang werkte Ulphard Thoden van Velzen er aan: een rekenmodel waarmee indicatief berekend kan worden hoeveel secundaire grondstoffen er zijn gemaakt uit het ingezamelde afval in een gemeente. Gisteren is het rapport met de technische achtergrond bij het rekenmodel gepubliceerd. Het model beschrijft de drie stappen van de hergebruiksketen: inzamelen en nascheiden, sorteren en recyclen in netto hoeveelheden materiaal. Op basis van de handelsrelaties in hergebruiksketens voorspelt het model waar deze grondstoffen zullen worden toegepast.

Het model is bedoeld om gemeenten te helpen richting een meer circulaire economie. Aangezien gemeenten verantwoordelijk zijn voor het gemeentelijk afvalbeheer, hebben ze direct toegang tot informatie aangaande de hoeveelheden en vaak ook de samenstelling van het huishoudelijk gemengde restafval en de gescheiden ingezamelde (verpakkings)materialen binnen de grenzen van hun gemeente. Met deze informatie berekent het model de netto hoeveelheden secundaire grondstoffen die worden geproduceerd en waar deze materialen vermoedelijk worden toegepast.

Toepassing

Thoden van Velzen, verbonden aan Wageningen Food & Biobased Research voerde deze opdracht uit binnen het wetenschappelijke programma van het KIDV en TIFN. Hij ziet verschillende praktische toepassingen voor het rekenmodel dat hij met zijn collega’s heeft ontwikkeld. “Het model kan gemeenten op vier manieren helpen”, aldus de wetenschapper. “Gemeenten kunnen er hun huidige bijdrage aan de circulaire economie mee inschatten, de ontwikkeling hiervan in de tijd volgen, er hun beleid mee ondersteunen en het gebruiken in de voorlichting naar burgers toe. Het biedt gemeenten de kans de economie voor burgers tastbaar te maken. De burger kan zien wat er van het thuis gesorteerde afval is gemaakt.”

En daar is behoefte aan, weet Thoden van Velzen. “Gisteren was ik bij een informatiebijeenkomst bij Attero in Wijster. Daar kreeg ik van Twente Milieu, Rova en Delta Zeeland al het aanbod om het model proef te laten draaien op hun huisvuil- en sorteeranalyses. Zo kunnen we kijken of het model werkbaar is voor gemeenten en waar de kinderziektes zitten. Rijkswaterstaat heeft aangeboden om, en dat is een volgende stap, te helpen met de verspreiding van de handleiding van het model richting gemeenten. In principe willen we het model gewoon online gaan zetten zodat iedereen er mee kan spelen. We hebben geen financieel belang, we hopen vooral dat het in de praktijk goed bruikbaar blijkt. Daarom haasten we ons ook niet. Als er begin volgend jaar met het model gewerkt kan worden, zou dat al heel mooi zijn.”

Dubbele boodschap

Thoden van Velzen is erg benieuwd hoe de toepassing van het rekenmodel in de praktijk gaat uitpakken. “De uitkomsten van het model zullen toch een beetje tot een dubbele boodschap leiden. Aan de ene kant zal blijken dat de netto-recyclingopbrengsten nog helemaal niet zo groot zijn in Nederland. In twee gemeenten waar we de proef al op de som namen bleek duidelijk uit welke stromen zij meer moeten kunnen halen. Aan de andere kant: vergeleken met het buitenland doen we het harstikke goed en lopen we voorop op vele fronten.”

Berekeningswijze

De berekeningswijze die het model volgt is gebaseerd op de netto materiaalstromen en de materiaalopbrengsten van deze netto materiaalstromen voor de drie stappen in de recyclingketen (inzamelen /nascheiden, sorteren en recyclen). Hiertoe worden eerst de ingezamelde en nagescheiden materiaalstromen teruggerekend naar netto-materiaal-hoeveelheden en vervolgens vermenigvuldigd met de netto materiaalopbrengsten. De laatste zijn afgeleid vanuit de door de betrokkenen gemelde massa-opbrengsten en de materiaalconcentraties in de ingaande en uitgaande stromen.

De berekende hoeveelheden secundaire grondstoffen zijn gebaseerd op gerapporteerde gegevens, eigen metingen en afgeleide efficiënties. Slechts in een paar gevallen moesten er veronderstellingen worden gemaakt. De secundaire grondstoffen kunnen breed worden toegepast, welke met een marktverdeling wordt beschreven. Deze marktverdeling is of heel stabiel (glas, metaal, drankenkartons) of sterk dynamisch (kunststof, papier & karton), zodat de ingeschatte toepassingen hiervan of nog redelijk betrouwbaar zijn of niet meer zijn dan een eerste indicatieve inschatting.