Categorie: fiscaal | Gepubliceerd: 15 september 2020

Kabinet presenteert CO2-heffing voor industrie

Het kabinet heeft op Prinsjesdag de CO2-heffing voor de industrie en afvalverbranding gepresenteerd. Bij invoering in 2021 ligt het tarief op 30 euro per ton uitgestoten broeikasgas. Dit loopt lineair op tot 125 euro per ton in 2030.

In het Klimaatakkoord is afgesproken dat industriële bedrijven worden gestimuleerd om te investeren om minder CO2 uit te stoten. Als bedrijven alsnog te veel CO2 uitstoten, gaan ze een CO2-heffing betalen. De heffing is volgens het kabinet zo ontworpen dat het reductiedoel voor de industrie van 14,3 Mton in 2030 behaald wordt, terwijl tegelijkertijd de concurrentiepositie van Nederlandse bedrijven en Nederland als vestigingsland behouden blijft. De heffing gaat gelden voor 235 bedrijven met gezamenlijk 284 installaties binnen de sectoren industrie, energie en afvalverbranding. Daaronder vallen negen afvalbedrijven met twaalf afvalverbrandingsinstallaties.

Volgens het kabinet gaat de nieuwe Wet CO2-heffing Industrie uit van hoe efficiënter een bedrijf produceert, hoe minder heffing het hoeft te betalen. Alleen de bedrijven die de afgesproken vermindering in CO2 niet realiseren, riskeren een heffing in 2030 van 125 euro per ton teveel uitgestoten CO2, volgens de huidige inzichten. Het tarief wordt bij nieuwe inzichten herijkt, na herberekening door PBL.

In de CO2-heffing wordt rekening gehouden met de gevolgen van de coronacrisis voor de industrie. Naar verwachting gaat de industrie als geheel pas in 2024 voor het eerst voor de uitstoot betalen, behalve als ze voldoende reductiemaatregelen nemen. Bedrijven die niet voldoende efficiënt produceren betalen al eerder voor hun uitstoot.

Regeldrukkosten

Voor de nationale CO2-heffing wordt op diverse plekken aangesloten bij het Europese emissiehandelssysteem EU ETS, waar een groot deel van de doelgroep van de Nederlandse heffing al onder valt. Leidt Europees beleid tot aanscherpingen van het ETS, dan leidt dat automatisch tot een inperking van de gevolgen van het nationale systeem, schrijft het kabinet in een toelichting op de Wet CO2-heffing Industrie. Voordeel van het aansluiten bij het ETS is dat dit zorgt voor lagere additionele regeldrukkosten voor bedrijven.

De afvalverbrandingsinstallaties vallen momenteel echter niet onder het EU ETS. De additionele regeldrukkosten als gevolg van de heffing zijn voor deze groep installaties daarom logischerwijs het hoogst. Bedrijven behorend tot deze doelgroep zullen éénmalig per installatie een industrieel monitoringsplan moeten indienen waarin een beschrijving wordt opgenomen van de monitoringmethodiek van de broeikasgasemissies. Voor het bepalen van de omvang van de emissies wordt aansluiting gezocht bij de eisen die gesteld zijn in de Verordening monitoring en rapportage voor verbrandingsinstallaties. Daarbij zal het gebruik van standaardfactoren worden goedgekeurd, bijvoorbeeld zoals deze worden gepubliceerd in de landelijke lijst van brandstoffen. Het bestuur van de Nederlandse Emissieautoriteit zal nagaan of het monitoringsplan voldoet aan de daaraan te stellen eisen.

Daarnaast zal voortaan jaarlijks in het industrieel emissieverslag over de broeikasgasemissies moeten worden gerapporteerd. Dit industrieel emissieverslag zal moeten worden voorzien van een extern verificatierapport. De overige handelingen voor de heffing zijn dezelfde als hiervoor beschreven voor de EU ETS-broeikasgasinstallaties met recht op allocatie van gratis emissierechten. Het eenmalig aanvragen van een rekening in het register dispensatierechten industrie zal iets meer administratieve handelingen vergen dan voor bestaande rekeninghouders van het register EU ETS-emissierechten.

Het kabinet schat dat haar wetsvoorstel voor een CO2-heffing zo tot een eenmalige toename van de regeldrukkosten voor afvalverbrandingsinstallaties zal leiden van 20.000 euro. Daarnaast wordt een structurele toename van regeldruk voor de AVI’s gezamenlijk verwacht van circa 68.700 euro voor de administratieve handelingen voor de heffing.

Nederland pleit in Europa overigens voor een versterking van het EU ETS die moet leiden tot structureel hogere en stabielere prijzen van emissierechten. Omdat het nationale heffingstarief wordt vormgegeven als een minimumprijs, leiden hogere prijzen in het ETS tot een lagere nationale heffing en een kleiner verschil in effectieve CO2-prijs tussen Nederland en andere EU-landen. Een verbreding van het ETS naar andere sectoren zal waarschijnlijk ook besproken worden en Nederland zal eventuele voorstellen hiertoe op hun merites beoordelen, laat het kabinet weten.

Vrijgestelde voet

De CO2-heffing is vormgegeven als een heffing met een afnemende vrijgestelde voet. Een deel van de uitstoot wordt vrijgesteld (in het wetsvoorstel gebeurt dit in de vorm van dispensatierechten); alleen de emissies die met het oog op de industriële reductiedoelstelling van het Klimaatakkoord en daaropvolgende herijkingen, gereduceerd moeten worden, zullen belast worden. De vrijgestelde emissies zullen lineair worden afgebouwd tot in het jaar 2030 alleen dat deel is vrijgesteld dat correspondeert met de reductiedoelstelling.

Het tarief zal zodanig zijn dat deze met grote waarschijnlijkheid voldoende prikkel geeft om de investeringen te doen die nodig zijn met het oog op het behalen van het reductiedoel. Daarmee ontstaat een systeem waarbij enerzijds het realiseren van de reductiedoelstelling van de industrie wordt geborgd en waarmee anderzijds het gelijke speelveld met omringende landen zo min mogelijk wordt aangetast. De kans op weglek van werkgelegenheid en CO2-uitstoot naar het buitenland wordt zo geminimaliseerd.

Om bedrijven te prikkelen een CO2-reducerende maatregel te nemen is het van belang dat de kosten voor het nemen van de maatregel, met name bestaande uit investerings- en operationele kosten, lager zijn dan de opbrengsten. De (deels op grond van staand beleid) reeds bestaande opbrengsten bestaan daarbij uit eventuele besparing als gevolg van verminderde energie-inzet, verkregen SDE+(+)-subsidies en de vermeden EU ETS-kosten.