Categorie: publicaties | Gepubliceerd: 05 januari 2022

Operationalisering circulair werken ook bij RWS uitdaging

Rijkswaterstaat heeft de afgelopen jaren meer inzicht verkregen in hoe ze meer circulair kan werken. Die kennis laten landen bij de onderdelen van de organisatie die hier concreet mee aan de slag moeten, vraagt echter nog de nodige aandacht.

Uit de evaluatie van een programma dat een impuls moest geven aan de ontwikkeling van circulaire werken binnen Rijkswaterstaat (RWS) blijkt dat er met succes is gewerkt aan het verfijnen van de definitie van circulair werken binnen de organisatie. De huidige definitie van circulair werken is bruikbaar op strategisch niveau en een goed ijkpunt voor een op te stellen roadmap. Op tactisch niveau (bijvoorbeeld aanpassen van werkwijzen en aanpakken) en operationeel niveau (bijvoorbeeld benutten in uitvoering van aanleg- en onderhoudsprojecten) is circulair werken desondanks soms nog een te abstract begrip. Verdere operationalisering is dan ook hard nodig.

Eind 2016 gaf het bestuur van RWS de organisatie de opdracht om via het Impulsprogramma Circulaire Economie de ontwikkeling naar circulair werken verder te brengen. In 2030 wil RWS immers 50 procent minder primaire grondstoffen gebruiken en in 2050 moet er zelfs volledig circulair worden gewerkt. Het impulsprogramma liep tot eind 2021. Om inzichtelijk te maken wat dit programma tot nu toe heeft opgeleverd richting circulair werken in 2030 en om te bepalen welke lessen uit de aanpak van het programma te leren zijn, besloot RWS AEF en Circularities een evaluatie uit te laten voeren.

Winst

Positief is dat ten opzichte van vier jaar geleden het bewustzijn dat RWS circulair moet gaan werken sterk is toegenomen, stellen de adviesbureaus in hun evaluatierapport. De noodzaak om circulair te werken staat bij een groot deel van de organisatie - maar ook bij samenwerkingspartners - niet meer ter discussie. In hoeverre dit toegenomen bewustzijn heeft geleid tot een daadwerkelijke afname van het gebruik van primaire grondstoffen is lastig vast te stellen. Wel is aannemelijk dat het impulsprogramma met onder meer pilots en projectadviezen wel direct en indirect heeft bijgedragen aan bijvoorbeeld de reductie van het gebruik van primaire grondstoffen.

RWS heeft veel kennis vergaard over wat circulair werken betekent voor de organisatie. Ook zijn er volgens de adviesbureaus betekenisvolle stappen gezet in het ‘hoe’ van circulair werken. Toch is de organisatie vooralsnog onvoldoende in staat om de doelstelling van een reductie in primair grondstofverbruik van 50 procent volledig te operationaliseren. RWS krijgt dan ook het advies om richting 2030 te bepalen wat de volgende stappen en inhoudelijke prioriteiten moeten zijn. In die aanpak zou onder andere expliciet aandacht moeten zijn voor leren en ontwikkelen binnen RWS. De sleutel daarbij is volgens de bureaus om het leren dicht op de praktijk te organiseren. Ze pleiten voor een leer- en ontwikkelstructuur gericht op kortcyclisch ophalen van behoeften in het primair proces en het delen van kennis en ervaringen.