Het gerechtshof in Den Haag moet zich opnieuw buigen over het illegaal storten van bedrijfsafval in de periode tussen 23 februari en 26 mei 2006.
Dat heeft de Hoge Raad bepaald vanwege het verstrijken van de termijn
van twee jaar na instellen van het cassatieberoep. De verdachte was in
juli 2008 door het gerechtshof in Den Haag veroordeeld tot een boete van
17.500 euro, waarvan 7.500 euro voorwaardelijk en met een proeftijd van
twee jaar, voor het overtreden van de Wet milieubeheer. De verdachte had
samen met een ander meerdere keren illegaal grond gestort op twee
aangrenzende percelen. De grond was vermengd met verschillende
afvalstromen, zoals kunststof, blik, steen, bielzen en papier. Een van de
percelen waarop afval was gestort was destijds eigendom van
Rijkswaterstaat. De advocaat van de verdachte voerde aan dat niet uit de
bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat het gestorte afval onder meer
bestond uit papier. Een getuige wiens verklaring deel uitmaakt van het
bewijs, heeft het over immers over karton en niet over papier. Hoewel de
Hoge Raad het daarmee eens was, zag de Raad daarin geen grond om de
uitspraak te vernietigen. "Een door mij voorgestane verbeterde lezing van
de bewezenverklaring tast de aard en de ernst van het bewezenverklaarde in
zijn geheel beschouwd niet aan en doet aan het middel in zoverre de
feitelijke grondslag ontvallen."
Dat de zaak toch terug moet naar het Gerechtshof komt doordat de Hoge Raad
er niet in is geslaagd om de zaak af te doen binnen twee jaar na het
instellen van het cassatieberoep. Het verstrijken van die termijn moet
leiden tot strafvermindering. De Hoge Raad vernietigt dan ook de uitspraak
van het gerechtshof, maar alleen "voor wat betreft de strafoplegging, tot
vermindering van de straf in de mate die de Hoge Raad gepast voorkomt en
tot verwerping van het beroep tot het overige".
Meer informatie
Uitspraak Hoge Raad, 30 november 2010 (LJN: BO5364)