Categorie: Politiek en beleid | Gepubliceerd: 29 juni 2016

Europees Parlement wil meer ambitie hernieuwbare energie

De hernieuwbare-energiedoelstelling voor 2030 zou geen 27 procent, maar 30 procent moeten bedragen. Dat zou een flinke kluif voor Nederland betekenen.

Dat vinden de leden van het Europees Parlement. De Europese Commissie stelde in 2014 een doelstelling van 27 procent voor maar het EP vindt dat dus nog te laag. In april publiceerde rapporteur Paloma López Bermejo al een ontwerprapport, waarin ze ook pleitte voor een doelstelling van 30 procent. Het Parlement heeft een niet-bindende resolutie aangenomen waarmee ze de Commissie oproepen de doelstelling te verhogen. Ook willen ze doelstellingen op lidstaat-niveau, iets dat de Commissie eerder juist schrapte, en dat er meer geavanceerde biobrandstoffen uit biomassa en afval worden geproduceerd. Biomassa uit bebossing zou juist alleen voorzichtig gebruikt moeten worden, om ongewenste milieu-effecten te voorkomen.

Het Parlement wijst er onder meer op dat de kosten voor hernieuwbare energie dalen, waardoor het de concurrentie met fossiele energie beter aan kan. Daardoor heeft de EU nu "een unieke kans" om met de juiste beleidskeuzes de concurrentiepositie van hernieuwbare energie verder te verstevigen en de uitstoot van broeikasgassen te verminderen. Ook kan hernieuwbare energie de afhankelijkheid van import verminderen.

Moeite

Enkele lidstaten hebben echter nu al moeite de huidige doelstelling van 20 procent hernieuwbare energie in 2020 te behalen. Waaronder Nederland: in 2015 bedroeg het verbruik van hernieuwbare energie hier 5,8 procent. De nationale doelstelling voor 2020 is 14 procent. Dat levert kritiek op vanuit het Europees Parlement. Ook het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk, Spanje, Luxemburg, Malta, Hongarije, Polen en België liggen nog achter op de doelstellingen. Het Parlement roept deze lidstaten op om extra maatregelen te nemen.