Het Europese Hof van Justitie moet meer duidelijkheid verschaffen over het aan- en inbesteden van afvalverwerking.
Op verzoek van het Gerechtshof Den Haag behandelde het Europese Hof van Justitie in Luxemburg afgelopen woensdag 5 februari tijdens een zitting een tweetal zogeheten prejudiciële vragen, zo laat AVR op LinkedIn weten. De antwoorden op deze vragen zijn relevant voor de nationale aanbestedingsrechterlijke procedure.
De vragen komen voort uit een rechtszaak tussen enerzijds AVR en anderzijds de NV Bar, Irado en Omrin. AVR vond dat de Bar-gemeenten (Barendrecht, Albrandswaard en Ridderkerk) de verwerking van hun afval moesten aanbesteden en dat de inbesteding bij Omrin via Irado niet aan de voorwaarden uit de Aanbestedingswet voldoet. De rechtbank Rotterdam stelde AVR in december 2020 in het ongelijk, maar AVR ging in beroep bij het gerechtshof in Den Haag. Dat gerechtshof heeft in juni 2023 in een tussenarrest besloten twee prejudiciële vragen te stellen aan het Europese Hof van Justitie. AVR sprak destijds zelf van een "juridisch bijzonder relevant arrest".
De vragen gaan over de quasi-inhouse uitzondering en het daarvoor relevante activiteitencriterium. Dit activiteitencriterium stelt dat één van de voorwaarden om aan de quasi-inhouse uitzondering te voldoen, is dat de opdrachtnemer meer dan 80 procent van de activiteiten uitvoert voor de eigen aandeelhouders. Het is echter niet duidelijk hoe dit criterium, ook bekend als de '80/20-regel', precies toegepast moet worden.
Specifiek vraagt het gerechtshof:
Met de beantwoording van deze vragen moet duidelijk worden aan welke voorwaarden nu precies voldoen moet worden voor een quasi-inbesteding van afvalverwerking. Zodra het EU-hof de vragen heeft beantwoord, wordt de procedure bij het gerechtshof Den Haag weer hervat.