Categorie: Regels, toezicht en rechtspraak | Gepubliceerd: 17 juni 2026

ILT helpt exporteurs plasticafval in concurrentieslag met buren

Een dag voor de inwerkingtreding van de herziene Evoa hebben vier Nederlandse exporteurs toestemming gekregen om zes maanden lang plasticafval te exporteren naar niet-Oeso-landen, zónder de inmiddels verplichte toestemming van het land van bestemming. Over de grens leidt dit tot scheve gezichten.

De ILT heeft Nederlandse exporteurs van plasticafval een gunstige exportpositie bezorgd.
De ILT heeft Nederlandse exporteurs van plasticafval een gunstige exportpositie bezorgd. | Dreamstime | Tashatuvango

Laurent Lubelski, general manager bij de Vlaamse handelaar in plastic afval Claraplast, kon aanvankelijk zijn oren niet geloven toen hij hoorde dat de Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT) een aantal grote plasticafvalexporteurs uit Nederland op 20 mei toestemming heeft gegeven om voorlopig plastic te exporteren naar niet-Oeso-landen. En dat zónder de sinds 21 mei onder herziene Evoa verplichte expliciete toestemming van het land van bestemming. Maar als hij eerlijk is, vindt hij dit besluit van de ILT lovenswaardig. “Nederlanders exporteurs krijgen in feite zes maanden extra de tijd om alternatieven te zoeken voor hun export naar niet-Oeso-landen, die vanaf 21 november volledig verboden is onder de herziene Evoa. Ik vind het een mooie, pragmatische oplossing. En ik gun het de collega’s in Nederland, waar ik al jaren een prima relatie mee heb, van harte. Alleen… dit is totaal oneerlijk. Want geen enkele andere autoriteit in de EU interpreteert de Europese regels voor de overbrenging van afvalstoffen, zoals de ILT dat doet.”

Shoppen over de grens

Met de inwerkingtreding van de herziene Europese verordening voor de overbrenging van afvalstoffen (Evoa) geldt dat EU-exporteurs plasticafval (B3011) sinds 21 mei alleen na kennisgeving mogen overbrengen naar niet-Oeso-landen. Groen licht daarvoor kan alleen volgen als er toestemming voor de export is vanuit het land van bestemming. “Op 20 mei had bij mijn weten niemand in Europa goedkeuring binnen voor transporten in de zes maanden die daarop volgden”, vertelt Lubelski. “In de markt werd er volop gespeculeerd: wat doen we als we de toestemming niet krijgen? Maar op het eind van de dag heeft de ILT aan de grote spelers in Nederland op de valreep nog toestemming gegeven. Die bedrijven doen sindsdien aanbiedingen in België en Duitsland omdat ze weten dat ze de komende zes maanden door hun monopoliepositie tegen aantrekkelijke prijzen plastic kunnen kopen. In andere lidstaten moeten exporteurs nog minimaal 30 tot 90 dagen wachten op toestemming, omdat de autoriteiten daar dus wel expliciete toestemming van de landen van bestemming afwachten. Brancheorganisaties voor afval- en recyclingbedrijven Fead, Euric en Denuo hebben bij de Europese Commissie aangekaart dat dit de markt ernstig verstoort. Bij mijn weten heeft die daarop Nederland gewaarschuwd dat er toestemming van landen van bestemming nodig is voor exporten vanaf 21 mei. De effecten gaan we niet alleen de komende maanden voelen, want ik begrijp dat er mooie voorstellen worden gedaan als partijen voor een langere periode met de Nederlanders in zee gaan. Zoals gezegd: ik gun het ze van harte, maar eerlijk is dit niet.”

Geitenpaadje in de wet

De ILT laat in een reactie aan AfvalOnline weten dat er inderdaad op 20 mei aan vier bedrijven toestemming is verleend voor exporten naar niet-Oeso-landen, maar níet zonder toestemming. “De ILT heeft voor de Evoa-kennisgevingen voor de export van B3011 naar niet-Oeso-landen niet alleen gekeken naar de oude Evoa (1013/2006), maar ook naar de Derde-landen-verordening (1418/2007). Immers, voor transporten van afval naar buiten de EU zijn beide verordeningen van toepassing. En de Derde-landen-verordening is nog van kracht tot en met 20 mei 2027”, zegt een woordvoerder. “Als de autoriteit van bestemming al via de Derde-landen-verordening heeft aangegeven dat ze geen kennisgeving verlangt voor het transport van B3011, kan en mag de ILT uitgaan van een toestemming voor de ontvangst.”

De ILT heeft overigens wél geprobeerd om een reactie van de landen van bestemming te krijgen op de Evoa-kennisgevingen. Op drie verschillenden momenten in de Evoa-kennisgevingen heeft de dienst bovendien proactief contact opgenomen met de autoriteit van bestemming. Maar zonder veel reacties terug; alleen Egypte en Taiwan lieten iets van zich horen.

De dienst nam de kennisgevingen uiteindelijk wel met extra aandacht in behandeling. Zo zijn strikte eisen gesteld aan een importvergunning van het land van bestemming voor de locatie van nuttige toepassing, een goede omgang met het afvalwater dat ontstaat op de locatie van nuttige toepassing én een beperking van emissies naar de lucht op de locatie van nuttige toepassing, laat de woordvoerder weten. Ook benadrukt die dat de toepassing van de Derde-landen-verordening voor export van B3011 al in februari aan de Commissie en alle EU-lidstaten is gepresenteerd. “Daarbij is expliciet feedback gevraagd op deze benadering, maar de ILT heeft geen reactie ontvangen op deze benadering”, vertelt de woordvoerder. “Pas na 20 mei 2026 is de ILT hierover benaderd door de Commissie en enkele EU-lidstaten.”

De ILT bevestigt dat de Commissie op 22 mei heeft aangegeven dat een schriftelijke toestemming van het land van bestemming op de kennisgeving zelf noodzakelijk is, als de kennisgeving valt onder de herziene Evoa. Maar de toestemmingen van de ILT zijn afgegeven onder de oude Evoa. Immers, de herziene Evoa ging in op 21 mei.

Interessant is ook dat de ILT dit ‘geitenpaadje’ in de wet eerder heeft bewandeld voor een andere afvalstof. “Ook toen met meerdere momenten waarbij de ILT proactief de autoriteit van bestemming benaderde met de vraag of deze bezwaar heeft. En omdat ook toen een reactie nooit is gekomen, hebben we de Derde-landen-verordening als een toestemming op de kennisgeving kunnen beschouwen”, stelt de woordvoerder.

In spiegel kijken

De ILT zegt in feite dat de Commissie nu vooral even in de spiegel moet kijken. “Het is natuurlijk onwenselijk voor de markt als ambigue regelgeving leidt tot verschillen in handelen tussen lidstaten. Juist daarom heeft de ILT al in februari bij de Europese Commissie en alle lidstaten haar uitleg van de regels kenbaar gemaakt. De Commissie kwam pas op 22 mei met een verduidelijking van de regels. Het valt de ILT dan ook niet te verwijten dat zij anders heeft gehandeld dan de meeste andere lidstaten”, besluit de woordvoerder.

Lubelski blijft echter vechten voor gelijke kansen in Europa en dat doet hij niet alleen, zo laat hij weten in een reactie op de uitleg van de ILT. Hij heeft al juristen gesproken die menen dat de werkwijze van de Nederlandse dienst juridisch niet houdbaar is. Met andere grote Europese spelers uit België, Duitsland en Spanje bereidt hij met een gespecialiseerd advocatenkantoor een zogenoemde class action voor, waarbij zij gezamenlijk inzetten op compensatie van de EU voor opgelopen financiële schade. Ook via genoemde (Europese) brancheorganisaties willen deze bedrijven de druk op de ketel houden in Brussel en Nederland.