Het Planbureau voor de Leefomgeving waarschuwt dat er op bedrijventerreinen meer ruimte nodig is om de circulaire economie te faciliteren.
In de aanloop naar de publicatie ‘Ruimte voor Circulaire Economie’ die naar verwachting deze zomer verschijnt, organiseerde het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) donderdag 20 april een bijeenkomst over de toekomst van bedrijventerreinen in de circulaire economie op haar hoofdkwartier in Den Haag. Onderzoekers Emil Evenhuis en Trudy Rood stelden daar dat het lastig te voorspellen is hoeveel extra ruimte er op bedrijventerreinen nodig is voor de circulaire activiteit en aan welke eisen deze ruimte moet voldoen. Dat de circulaire economie een groter beslag gaat leggen op bedrijventerreinen staat voor hen echter buiten kijf. En daar zouden beleidsmakers nu al op moeten acteren.
Wat Evenhuis en Rood betreft moeten ministeries, provincies en gemeenten werk maken van gecoördineerd ruimtelijk beleid en daarbij meer ruimte reserveren voor de circulaire economie. Dat betekent dat ze zorgen voor voldoende gebieden met een hoge milieucategorie, clustering waar mogelijk, en bijvoorbeeld stadshubs voor circulaire activiteiten zoals reparatie. Daarnaast moeten ze waken voor onomkeerbaar beleid. Een gebied met een hoge milieucategorie omzetten naar een gebied met een lage milieucategorie is over het algemeen niet verstandig.
Het PBL publiceerde onlangs haar Ruimtelijke Verkenning 2023 waarin het vier toekomstscenario’s voor Nederland schetst die beleidsmakers kunnen helpen bij structurerende ruimtelijke keuzes. Of grote bedrijven nu de lead hebben en het marktdenken gaat domineren, of we naar een sterk gedigitaliseerde maatschappij gaan, een sterk regionaal gewortelde samenleving, of dat Nederland een groen land wordt met een sterk sturende overheid – de circulaire economie zal om meer ruimte vragen.
In het scenario Mondiaal Ondernemend, waarin de markt, materialisme en groene groei domineren, verwacht Evenhuis dat Nederland op grote schaal afval gaat recyclen, meer biogrondstoffen gebruikt en veel materiaal in- en uitvoert. De vraag naar ruimte voor recycling- en bouwhubs zal in dat scenario flink toenemen, stelde hij. In het scenario Snelle Wereld, waarin digitalisering wordt omarmd, organiseren mensen zich in bubbels. Via digitale middelen worden spullen gedeeld, maar de fysieke wereld is minder belangrijk voor Nederlanders. Het materiaalgebruik neemt iets af, maar een toename van onder andere hergebruik en revisie in dit scenario vraagt om extra ruimte.
In het scenario Groen Land kiest de overheid ondubbelzinnig voor verduurzaming en kiezen Nederlanders voor een groene leefstijl. Door consuminderen kan het materiaalgebruik met 40 procent afnemen, denkt Rood. Ook wordt er veel meer gedeeld. Het gebruik van biogrondstoffen wordt de norm voor producerende bedrijven. De vraag naar kleinere bedrijventerreinen en stadhubs die reparatie, hergebruik en de deeleconomie faciliteren, neemt toe. Ook komt de maakindustrie deels terug naar Nederland door de hoge kosten van transport, zo schetste Rood. In het scenario Regionaal Geworteld verlangen we naar kleinschaligheid en hechten we aan leveringszekerheid. Eco-lokalisme zorgt voor een vergelijkbare ruimtevraag als in het scenario Groen Land. Lokale bedrijventerreinen worden belangrijker, maakindustrie komt terug en buurthubs springen als paddenstoelen uit de grond.
Na de uitleg van Evenhuis en Rood over de implicaties van de vier scenario’s voor de ruimtevraag op bedrijventerreinen van Evenhuis en Rood, stelde een ambtenaar van de provincie Flevoland de vraag die waarschijnlijk bij de meerderheid van de aanwezigen door het hoofd spookten: er is dus meer ruimte nodig voor circulaire activiteit, maar hoe die ruimte eruit moet zien is onduidelijk? Hoe moeten beleidsmakers hier dan mee verder? De scenario’s zijn immers grotendeels tegenstrijdig.
De onderzoekers stelden daarop dat het zeker een uitdaging is om voor te sorteren op de circulaire economie, nu in het begin van de transitie nog veel onzekerheid bestaat over hoe deze ingevuld gaat worden. Provincies en gemeenten kunnen volgens hen in ieder geval nadenken over hoe ze zelf willen dat de circulaire economie er in hun achtertuin uitziet. Ook raadden ze aan om ruimte voor flexibiliteit te houden. Een locatie met een hoge milieucategorie kan nu misschien minder noodzakelijk lijken, maar stelt de overheid de categorie naar beneden bij, dan is er geen weg terug. Een nieuwe locatie met een hoge milieucategorie ontwikkelen, kost vervolgens zomaar twintig jaar.
Hoewel het onderzoek van Evenhuis en Rood nog geen pasklare antwoorden geeft op alle vragen van beleidsmakers, was Roland Amoureus, public affairs director bij Renewi, erg blij met hun werk. Hij stelde dat aandacht voor deze problematiek op zich al ‘pure winst’ is. Aan de hand van enkele foto’s en kaartjes illustreerde hij hoe Renewi op verschillende locaties in het land langzaam omsingeld wordt door woningbouw. Nederland wil ruimte voor woningen, zonneparken, datacentra, warehouses, maar wie heeft er echt oog voor de ruimtevraag van bedrijven die de circulaire economie tot stand moeten brengen, vroeg hij zich af. In het volle Nederland raakt Renewi steeds meer in de verdrukking. Als er een locatie moet worden verplaatst, is dat erg ingewikkeld, want waar zit men te wachten op een afvaloverslag, -sorteer, of verwerkingslocatie?
Een reparatiehub heeft misschien een hoog knuffelgehalte en kan ontwikkeld worden in een gebied met woonbestemming, maar Amoureus waarschuwde dat er ook circulaire activiteiten bestaan die minder knuffelbaar zijn. Daar moet ook ruimte voor zijn. Het is wat hem betreft echt een onderbelicht knelpunt in de transitie naar een circulaire economie.
Renewi probeert overigens zelf al haar aantal locaties terug te brengen door functies te combineren op haar terreinen. Tegelijkertijd blijven locaties verspreid door het hele land van groot belang voor het bedrijf. In veel gevallen moet het bedrijf gewoon dicht bij de klant zitten, stelde Amoureus.