In een sterke en circulaire economie moeten vraag en aanbod in regio's dichter bij elkaar worden gebracht en bestaande werklocaties en milieuruimte intensiever benutten, wat vervoersstromen en ruimtegebruik beperkt.
In het voorontwerp voor de Nota Ruimte die demissionair minister Hugo de Jonge (Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) naar de Tweede Kamer heeft gestuurd, is volop aandacht voor ruimte voor de circulaire economie. Het voorontwerp is een eerste ruimtelijke vertaling van de opgaven voor Nederland richting 2050, met een doorkijk naar 2100. Het benoemt keuzes en geeft richting voor te maken keuzes over grote opgaven die allemaal om ruimte vragen, van landbouw en natuur tot woningbouw, economie en energiezekerheid.
In de nota staat nadrukkelijk dat de transitie naar een innovatieve, duurzame en circulaire economie om ruimte vraagt voor het behouden en beter benutten van bestaande werklocaties (zoals haven- en industrieclusters, maar ook lokale en regionale bedrijfsterreinen). Tegelijk ziet de overheid dat de vraag naar ruimte voor economie groeit door de transities en de autonome groei van de economie. Daarbovenop is er in de transitiefase naar een circulaire economie ook (structureel) meer (milieu-) ruimte nodig voor circulaire economische activiteiten. Omdat het lineaire en circulaire economische systeem tijdelijk naast elkaar bestaan is er ook (tijdelijke) schuifruimte nodig voor bedrijvigheid.
In de circulaire economie is ruimte nodig voor inzamelen, logistiek, productie, reparatie, verwerking en gebruik om grondstofstromen, retourstromen, productieketens, het verwerken van biobased bouwmaterialen, reparatie en gebruik aan elkaar te koppelen tot een circulair systeem. Deze verschillende schakels moeten een plek krijgen en met elkaar verbonden worden, valt te lezen in de nota. Sommige plekken bestaan al, zoals de grote haven- en industrieterreinen en afvalverwerkingslocaties. Er moet echter ook worden gekeken naar de grondstoffen die in eigen land worden gewonnen. Er blijven ruimtelijke reserveringen nodig voor de winning van zand, grind en klei voor met name kustverdediging (ook op langere termijn), dijkversterking, ontwikkeling van infrastructuur en woningbouw.
Op het ministerie ziet men ook dat de plekken waar van oudsher alleen economische functies gevestigd waren nu ook voor andere ruimtevragen worden gebruikt. Zoals door woningbouw op, of direct nabij stedelijke bedrijventerreinen. Daarmee komt de ruimte voor werklocaties en de transitie naar een toekomstbestendige en de circulaire economie nog verder onder druk te staan. De overheid kiest er daarom voor om actiever de bestaande werklocaties te beschermen, intensiever te benutten en te verduurzamen. Hierbij kijkt ze ook naar strategische uitbreidingsmogelijkheden voor economische functies, zeker als bestaande werklocaties plaatsmaken voor andere functies.
Afgelopen jaar vreesde het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) nog dat de ruimtelijke opgave voor de circulaire economie kon ondersneeuwen in het ruimtelijk beleid van overheden. Beleidsmakers zouden mogelijk over het hoofd zien dat de transitie naar een circulaire economie om (veel) ruimte én ruimtelijk beleid vraagt.