Met het onderzoek Locatiekenmerken Circulaire Bedrijvigheid wil de Rijksoverheid meer te weten komen over wat circulaire bedrijven nodig hebben om zich op hun locatie te ontwikkelen.
Nederland wil tegen 2050 een circulaire economie hebben. Dit wil de Rijksoverheid realiseren door in te zetten op minder grondstoffenverbruik, het gebruik van alternatieve grondstoffen, het verlengen van de levensduur van producten, en de hoogwaardige verwerking van materialen. Veel van deze activiteiten vinden plaats op bedrijventerreinen. Maar om die terreinen zo goed mogelijk in te richten om circulaire activiteiten te stimuleren, is meer kennis vereist over wat bedrijven daar precies voor nodig hebben. Om die vraag te beantwoorden voert het Erasmus Centre for Urban, Port & Transport Economics samen met marktonderzoeksbureau Rienstra het onderzoek Locatiekenmerken Circulaire Bedrijvigheid uit.
Doel is onder meer om te achterhalen welke locatiekenmerken voor bedrijven het belangrijkst zijn, en welke knelpunten zij ervaren. Daartoe loopt tot en met 31 augustus een enquête, die bedoeld is voor bedrijven, parkmanagers, ondernemingsverenigingen en (medewerkers bij) gemeenten die betrokken zijn bij circulaire activiteiten.
Het onderzoek wordt gefinancierd door de Rijksoverheid. Ook SKBN, VNG, IPO, VNO-NCW en Metaalunie zijn bij het onderzoek betrokken. De uitkomsten zijn vanaf oktober 2024 openbaar toegankelijk.
Het Planbureau voor de Leefomgeving benadrukte vorig jaar nog dat de transitie naar een circulaire economie om ruimte en ruimtelijk beleid vraagt, en dat dit een onderbelicht knelpunt is. Ook de afvalsector ziet dit probleem: “Nederland wil ruimte voor woningen, zonneparken, datacentra en warehouses”, zei Roland Amoureus, directeur public affairs bij Renewi, tijdens een bijeenkomst op het hoofdkwartier van het PBL. “Maar wie heeft er echt oog voor de ruimtevraag van bedrijven die de circulaire economie tot stand moeten brengen?”