Als de Vlaamse afvalverbrandingscapaciteit moet worden afgebouwd, moet dat weloverwogen gebeuren.
Vlaanderen wil de verbrandingscapaciteit afbouwen. Momenteel wordt echter nog ongeveer een derde van het Vlaamse huishoudelijk afval verbrand met energieterugwinning, dus helemaal zonder afvalovens kan het Belgische gewest voorlopig nog niet. Het Vlaams Parlement organiseerde daarom eerder deze week een hoorzitting over de toekomst van afvalverbranding in Vlaanderen. De Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij (Ovam), Denuo, BW2E, Interafval en de Bond Beter Leefmilieu lieten daar hun licht over deze kwestie schijnen.
Meerdere partijen benadrukten dat een afbouw van de verbrandingscapaciteit niet rücksichtslos plaats kan vinden, maar dat er veel aandacht moet zijn voor randvoorwaarden die maximale recycling mogelijk maken, onmisbare verbrandingscapaciteit en het vermijden van kapitaalvernietiging.
Ovam gaf aan dat het beleid rondom afvalverbranding wat de organisatie betreft op twee principes gestoeld moet zijn: zelfvoorziening en de daaraan verbonden capaciteitsplanning voor afvalverbranding. Dat houdt in dat Vlaanderen voldoende capaciteit moet hebben om het eigen restafval te verbranden, zodat dit niet wordt afgeschoven op andere landen of regio's. Tegelijkertijd zou het gewest ook niet meer capaciteit moeten hebben dan daarvoor strikt noodzakelijk is. "Het is niet de bedoeling dat wij hier in Vlaanderen afval uit de rest van Europa gaan verbranden", stelde Jacob Mennes. Hij verwees naar de situatie in Nederland, waar sprake is van overcapaciteit, en stelde dat dit kan leiden tot lagere prijzen voor verbranding, waarmee gescheiden inzameling en recycling onder druk komen te staan.
Vlaanderen blijft streven naar vermindering van de hoeveelheid restafval, en de capaciteit zal daarom proportioneel moeten worden afgebouwd. Voor afvalverbrandingsinstallaties worden daarom bijvoorbeeld alleen nog vergunningen voor beperkte duur afgegeven. Ivoo en Ivago hebben daarom al besloten tot een einddatum voor hun installaties.
Denuo, dat private afvalbedrijven vertegenwoordigt, gaf aan dat de ene afvalverbrandingsinstallatie de andere niet is. "Afvalverbranding is geen homogeen beleidsobject", stelde Tore Content. Installaties voor de verbranding van gevaarlijk afval zijn bijvoorbeeld een veiligheidsnet voor de samenleving en daarmee "nauwelijks vervangbaar". Maar er zijn ook installaties die natte bulkstromen zoals slib verbranden, of coverbranders die onderdeel zijn van de productieprocessen voor cement of papier en karton. Eén beleidsmaatregel "kan nooit neutraal zijn voor al deze categorieën". Ook benadrukte hij dat een enkele focus op het verminderen van huishoudelijk afval of gemengd bedrijfsafval, dit niet vanzelf zal leiden tot "het uitdoven van de noodzaak tot thermische verwerking". Er zal altijd restafvalverbranding nodig blijven, omdat er altijd niet-recyclebare fracties zullen blijven bestaan. Ook Content verwees daarbij naar Nederland, ditmaal naar de beleidsvisie voor een lagere capaciteit waarin wel een bepaalde buffer aanwezig blijft om "een omvangrijke calamiteit" te kunnen opvangen. Om maar te laten zien dat de wens voor een buffer "niet louter een Denuo-reflex" is, maar "een logische veiligheidsvoorwaarde in een samenleving die ook steeds circulairder wil worden."
Ook Belgian Waste-to-Energy (BW2E), de vereniging van alle veertien Belgische afvalverbrandingsinstallaties, benadrukte dat de samenleving eigenlijk niet zonder afvalverbranding kan. Op Europees niveau is er zelfs een "schromelijk tekort" aan verbrandingscapaciteit voor de hoeveelheden residuen uit sorteer- en recyclinginstallaties, zo meldde hij op basis van cijfers van Eurostat.
Interafval is het samenwerkingsverband van de Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten (VVSG) en de afvalintercommunales. Zij vertegenwoordigt de publieke afvalbedrijven in Vlaanderen en is daarmee vergelijkbaar met de Nederlandse NVRD. De afvalintercommunales beheren 34 procent van de Vlaamse verbrandingscapaciteit voor restafval. Jonathan De Witte van Interafval benadrukte tijdens de hoorzitting dat bij het streven naar minder restafval en een daarbij passende verbrandingscapaciteit, het oppassen is voor "onnodige publieke kapitaalvernietiging". Lokale besturen hebben de afgelopen jaren veel geïnvesteerd om installaties te laten voldoen aan de strenge Vlaamse milieuvoorwaarden en het zou zonde zijn om die investeringen teniet te doen. Daarnaast geeft de organisatie aan dat er nog veel potentieel zit in het benutten van de energie uit verbranding, bijvoorbeeld via warmte voor gebouwen en energie voor industriële processen.
Zelfs Kira Van den Ende van milieuorganisatie Bond Beter Leefmilieu (BBL) erkende dat, hoewel zij als uitgangspunt in een zero waste maatschappij gelooft, België daar realistisch gezien nog lang niet in de buurt is omdat er nog altijd veel niet-recyclebare producten op de markt komen. "Zolang we daar geen oplossing voor vinden, zitten we vast een redelijk grote hoeveelheid afvalverbranding". De vraag is hoeveel daarvan echt onvermijdelijk is. De BBL pleit voor meer prikkels vanuit de overheid voor het gebruik van gerecyclede grondstoffen en "minder en betere producten". Niet alleen op Europees op Belgisch niveau, maar ook in Vlaanderen zelf, dat daarvoor "belangrijke economische bevoegdheden" heeft. Dus niet alleen een visie op afvalverbranding, maar een langetermijnvisie voor grondstoffen en preventie, waarin afval ingebed zit.